Slavernij als Wortel van Structureel Racisme

De Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel en koloniale slavernij van de 17e tot de 19e eeuw hebben niet alleen een economische maar ook een diepe sociale erfenis nagelaten. De raciale categorieën die gedurende anderhalve eeuw werden gebruikt om de onderwerping van honderdduizenden mensen van Afrikaanse afkomst te rechtvaardigen, zijn niet verdwenen met de formele afschaffing van de slavernij in 1863. Ze zijn doorgegeven via wetgeving, sociale normen, economische structuren en culturele representaties — en werken structureel door in de Nederlandse samenleving van vandaag.

Het is essentieel onderscheid te maken tussen individueel en structureel racisme. Individueel racisme betreft de expliciete vooroordelen van personen. Structureel racisme verwijst naar de patronen van ongelijkheid die zijn ingebed in de structuren en procedures van maatschappelijke instituties, ongeacht de intenties van de betrokkenen. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Verwey-Jonker Instituut toont consequent aan dat Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse Nederlanders op meerdere terreinen — wonen, werk, onderwijs, gezondheidszorg, justitie — slechtere uitkomsten hebben dan vergelijkbare blanke Nederlanders met gelijke kwalificaties.

Het concept van ruimtelijke segregatie biedt een concrete illustratie van deze structurele erfenis. Ruimtelijke segregatie betekenis: de geografische concentratie van bevolkingsgroepen in specifieke wijken op basis van sociaaleconomische en etnische kenmerken. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag is aangetoond dat de meest achtergestelde wijken opmerkelijk samenvielen met hoge concentraties van Surinaamse en Antilliaanse bewoners — een patroon dat mede verklaard wordt door de historische uitsluiting van deze groepen op de woningmarkt in de decennia na aankomst in Nederland. De segregatie versterkt zich generationeel: kinderen die opgroeien in gesegregeerde wijken bereiken gemiddeld lager onderwijs, hebben minder toegang tot professionele netwerken en reproduceren zo de achterstand.

De Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen in Nederland hebben historisch een bijzondere positie: zij kwamen naar Nederland als burgers van een voormalige kolonie, deels met de verwachting van gelijkwaardigheid maar geconfronteerd met een samenleving die hen als anders en inferieur bejegende. De sociaal-psychologische impact van dit dubbele bewustzijn — formeel burger, feitelijk tweederangs — is gedocumenteerd door onderzoekers als Philomena Essed in haar werk over alledaags racisme. Het Landelijk Platform Slavernijverleden beschouwt de erkenning van dit erfgoed als een onmisbare basis voor authentiek anti-discriminatiebeleid.

Het Juridisch Kader voor Anti-Discriminatie

Nederland beschikt over een meervoudig juridisch kader voor de bescherming van gelijke behandeling en het verbod op discriminatie. Het meest fundamentele instrument op nationaal niveau is de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) van 1994, die discriminatie verbiedt op grond van onder meer ras, nationaliteit en etnische herkomst in de sferen van arbeid, vrije beroepsuitoefening, goederen en diensten, en maatschappelijke organisaties. De AWGB geldt als de uitwerking van het gelijkheidsprincipe uit artikel 1 van de Nederlandse Grondwet.

Op Europees niveau is de EU-Richtlijn Rassengelijkheid 2000/43/EG bepalend. Deze richtlijn verbiedt directe en indirecte discriminatie op grond van ras en etnische herkomst in een breed scala van maatschappelijke domeinen en verplicht EU-lidstaten tot aanwijzing van een onafhankelijk orgaan voor gelijke behandeling. Nederland heeft de richtlijn in 2004 geïmplementeerd, waarbij het College voor de Rechten van de Mens de aangewezen instantie werd voor toezicht en klachtenbehandeling.

Op mondiaal niveau is het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (ICERD), waaraan het VN-CERD-comité toezicht houdt, het meest specifieke instrument. Nederland ratificeerde dit verdrag al in 1971, maar het Landelijk Platform Slavernijverleden heeft in schaduwrapporten aan CERD meerdere keren gewezen op de kloof tussen de ratificatie en de feitelijke implementatie. Concrete punten van kritiek betroffen de afwezigheid van statistieken uitgesplitst naar ras of etnische herkomst — die Nederland op grond van privacyoverwegingen lange tijd weigerde bij te houden — en de terughoudendheid om institutioneel racisme als zodanig te benoemen.

Een lacune in het Nederlandse anti-discriminatierecht die het Platform signaleert, is de versnippering van toezicht en handhaving. Het College voor de Rechten van de Mens geeft niet-bindende oordelen; strafrechtelijke vervolging voor discriminatie wordt zelden ingezet; en de regionale anti-discriminatiebureaus zijn structureel onderbedeeld met middelen. De combinatie leidt tot een systeem dat op papier robuust oogt maar in de praktijk onvoldoende tanden heeft om institutioneel racisme effectief te bestrijden.

Institutioneel Racisme in Nederland

De term institutioneel racisme heeft in Nederland lang politieke weerstand opgeroepen. Wanneer het Adviescomité Discriminatie van de overheid in 2020 concludeerde dat institutioneel racisme aanwezig is binnen de rijksoverheid, was dat een historische erkenning. Eerder had de rechter geoordeeld dat de Belastingdienst etnisch profileerde bij toeslagencontroles — de kinderopvangtoeslagenaffaire legde bloot hoe overheidsinstanties systematisch en disproportioneel mensen met een niet-westerse achtergrond als risico categoriseerden.

In het domein van wonen is discriminatie op de woningmarkt aantoonbaar. Stichting Woon!, het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam en meerdere universitaire onderzoekers hebben met praktijktests aangetoond dat verhuurders bij gelijke kwalificaties Nederlanders met een 'witte' naam vaker uitnodigen dan Nederlanders met een Surinaamse of Marokkaanse naam. Hetzelfde patroon doet zich voor op de arbeidsmarkt: correspondentieonderzoeken van de Vrije Universiteit Amsterdam tonen aan dat voor identieke sollicitatiebrieven mensen met een Surinaamse naam minder uitnodigingen ontvangen.

Een bijzonder aandachtspunt van het Platform is het zogenoemde white savior complex — het patroon waarbij goedbedoelende mensen uit de meerderheidsgroep de discussie over racisme domineren zonder de stem en agency van de betrokken gemeenschappen zelf centraal te stellen. White savior complex betekenis: het patroon van hulpverlening of activisme waarbij de 'redder' uit de meerderheidsgroep meer zichtbaar en invloedrijk is dan de gemeenschap die geholpen wordt, en waarbij de interventie primair het ego of de morele status van de helper dient. In de Nederlandse context uit dit zich onder meer in de neiging om gesprekken over slavernijverleden te laten leiden door witte academici of politici, terwijl nazatenorganisaties worden geconsulteerd maar zelden als beslissers worden erkend.

Een structureel knelpunt blijft de naamgeving: veel Nederlandse instellingen weigeren de term 'institutioneel racisme' te gebruiken, uit vrees voor aansprakelijkheid, politieke gevoeligheid of defensieve loyaliteit aan het zelfbeeld van de organisatie. Het Platform beschouwt dit semantisch verzet als symptoom van wat Gloria Wekker 'witte onschuld' noemt — de collectieve neiging in Nederland om het eigen aandeel in racisme te ontkennen of te minimaliseren, gevoed door een zelfrepresentatie als uitzonderlijk tolerant volk.

Het Platform en de Mensenrechtenstrijd

Het Landelijk Platform Slavernijverleden heeft een consequente strategie gevolgd van engagement met internationale mensenrechtenorganen als hefboom voor binnenlandse beleidsverandering. In de perioden 2004, 2010, 2015 en 2020 heeft het Platform schaduwrapporten ingediend bij het VN-CERD-comité, waarin de kloof tussen de officiële Nederlandse staatrapportages en de ervaringen van betrokken gemeenschappen werd gedocumenteerd. Deze rapporten hebben direct bijgedragen aan de kritische aanbevelingen van CERD aan Nederland.

Via de PARCOE (Pan-African Reparations Coalition in Europe) en NGOCCAR (NGO Committee on the Elimination of Racial Discrimination), beide actief binnen het VN-systeem, heeft het Platform internationaal samengewerkt met gelijkgezinde organisaties uit andere Europese landen. Deze samenwerking heeft geleid tot gezamenlijke verklaringen, een gecoördineerde lobbyaanpak richting het VN-Mensenrechtencomité en wisseling van best practices op het gebied van reparatieve politiek.

Bij de Tweede Kamer heeft het Platform meermaals getuigd in parlementaire hoorzittingen over discriminatiebeleid, slavernijverleden en de implementatie van internationale verdragsverplichtingen. De officiële excuses van de Nederlandse staat in december 2022, uitgesproken door minister-president Mark Rutte, zijn mede het resultaat van jarenlange pleitbezorging waarbij het Platform een centrale rol speelde. Het Platform beschouwt de excuses als een begin, niet als een eindpunt: erkenning zonder herstelmaatregelen is onvolledig.

De concrete beleidseisen van het Platform op het gebied van mensenrechten en anti-discriminatie omvatten: een nationaal actieplan institutioneel racisme met bindende doelstellingen en tijdlijnen; een herziening van de AWGB om ook indirecte discriminatie in publieke dienstverlening explicieter te adresseren; structurele financiering voor anti-discriminatiebureaus; en de opname van de aanbevelingen van het VN-CERD in het beleidsprogramma van de rijksoverheid.

Anti-Discriminatiebeleid in de Praktijk

Nederland beschikt over een netwerk van regionale anti-discriminatiebureaus (ADBs) die klachten van burgers registreren en behandelen. Anti discriminatie bureau Amsterdam: het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA) is het centrale aanspreekpunt voor de hoofdstedelijke regio, naast Bureau Discriminatiezaken Amsterdam. Landelijk zijn er meer dan dertig bureaus die samen het netwerk Discriminatie.nl vormen. De bureaus bieden gratis begeleiding aan slachtoffers, registreren patronen en adviseren gemeenten over preventie.

In de praktijk stuit het systeem op meerdere structurele problemen. De ADBs zijn chronisch ondergefinancierd: de meerderheid opereert met kleine teams en beperkte capaciteit voor juridische begeleiding in complexe zaken. Meldingen worden geregistreerd maar leiden slechts in een minderheid van de gevallen tot concrete consequenties voor de discriminerende partij. De drempel om te melden is bovendien hoog — onderzoek toont aan dat slechts een fractie van de ervaren discriminatie-incidenten ook daadwerkelijk wordt gemeld, deels uit onbekendheid met de meldsystemen, deels uit gebrek aan vertrouwen dat een melding verschil maakt.

Het gat tussen wet en leefervaring is treffend gedocumenteerd in de monitoringrapportages van het College voor de Rechten van de Mens. Terwijl de formele rechtsbescherming op papier uitgebreid is, ervaren mensen van Afrikaanse en Caribische afkomst dagelijks microagressies, uitsluiting en structurele barrières die zelden de drempel van een juridisch aantoonbaar discriminatiegeval halen. Het Platform pleit voor een bredere definitie van anti-discriminatiebeleid die ook deze subdrempelse ervaringen adresseert via training, bewustzijnsvorming en institutionele cultuurverandering.

Successen zijn er ook: meerdere werkgevers hebben na klachten van het ADB of het College vrijwillig hun wervingsprocedures aangepast; gemeenten als Amsterdam en Rotterdam hebben expliciet anti-discriminatiebeleid op de arbeidsmarkt geïntroduceerd, inclusief proeven met anoniem solliciteren; en de jurisprudentie rondom discriminatoire AI-systemen en algoritmen is in ontwikkeling. Het Platform monitort deze ontwikkelingen en bepleit structurele verankering ervan in nationaal recht.

Onderwijs als Sleutel

Het onderwijs is voor het Landelijk Platform Slavernijverleden niet slechts een thematisch aandachtspunt maar een strategisch kerndomein. Kennis over het slavernijverleden en de raciale structuren die het heeft voortgebracht, is de basis voor het vermogen van de samenleving om racisme als systeem te herkennen en te bestrijden. Zonder historisch bewustzijn blijft anti-discriminatiebeleid symptoombestrijding.

Tot voor kort was de slavernijgeschiedenis nauwelijks aanwezig in het Nederlandse curriculum. In 2006 werd het slavernijverleden opgenomen in de historische canon, maar de vertaling naar lesmateriaal en eindtermen bleef beperkt. Na jarenlange pleitbezorging door het Platform en geallieerde organisaties werd in 2022 de slavernijgeschiedenis verankerd in de kerndoelen voor primair en voortgezet onderwijs. De daadwerkelijke implementatie verschilt echter sterk per school en per leraar, en het Platform heeft via het NiNsee en het Nationaal Slavernijmuseum (in voorbereiding) geïnvesteerd in kwalitatief lesmateriaal.

Vergelijking met internationale voorbeelden levert lessen op. In het Verenigd Koninkrijk is de slavernijgeschiedenis al langer een verplicht onderdeel van het nationaal curriculum en bestaat er uitgebreid educatief materiaal dat ook de Britse winsten uit slavernij behandelt. In Duitsland heeft de intensieve Holocaust-educatie geleid tot institutionele reflexen van kritische zelfbeschouwing die ook bij andere vormen van historisch onrecht van pas komen. In de VS worstelen scholen nog steeds met de vraag hoe het slavernijverleden te onderwijzen in een gepolariseerd politiek klimaat. Nederland heeft de kans om een genuanceerd model te ontwikkelen waarbij de ervaringen van nazaten centraal staan — niet alleen als slachtoffers maar als makers van een rijke diasporische cultuur.

Het Platform pleit specifiek voor: professionalisering van leraren via gerichte bijscholing op het gebied van slavernijgeschiedenis en structureel racisme; representatief lesmateriaal dat de diversiteit van de Nederlandse samenleving reflecteert; structurele samenwerking tussen scholen en gemeenschapsorganisaties van nazaten; en een periodieke evaluatie van de implementatie van de kerndoelen door de Inspectie van het Onderwijs, met publieke rapportage van de bevindingen.

Rechtsgronden Anti-Discriminatie in Nederland Vier verticale kaarten met de rechtsgronden voor anti-discriminatie in Nederland: VN-CERD, EU-Richtlijn, AWGB en College voor de Rechten van de Mens Rechtsgronden Anti-Discriminatie in Nederland VN-CERD
VN-Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Periodieke evaluatie van Nederland door het internationale toezichtscomité.
Ratificatie NL: 1971 EU-Richtlijn
Richtlijn Rassengelijkheid 2000/43/EG — verbiedt directe en indirecte discriminatie op grond van ras en etnische herkomst.
Implementatie NL: 2004 AWGB
Algemene Wet Gelijke Behandeling — verbiedt discriminatie in arbeid, goederen, diensten en maatschappelijke domeinen.
Inwerkingtreding: 1994 CRM
College voor de Rechten van de Mens — nationaal toezichtorgaan voor gelijke behandeling en klachtenbehandeling.
Opgericht: 2012 Bronnen: Rijksoverheid, EUR-Lex, College voor de Rechten van de Mens
De vier voornaamste rechtsgronden voor anti-discriminatie in Nederland: het VN-CERD-verdrag (1971), de EU-Richtlijn Rassengelijkheid (2000/43/EG, geïmplementeerd 2004), de AWGB (1994) en het College voor de Rechten van de Mens (2012).
Embed deze infographic
"Erkenning van het slavernijverleden zonder het adresseren van de levende erfenis ervan — de structurele ongelijkheid, het institutioneel racisme, de dagelijkse discriminatie — is onvolledig. Herstelrecht en anti-discriminatiebeleid zijn twee zijden van dezelfde historische verplichting." — Standpunt Landelijk Platform Slavernijverleden

Gerelateerde dossiers op deze website

Zie voor meer context het dossier over Reparatory Justice, over de Nationale 1 Juli Herdenking, over Zwarte Piet, over het VN-Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst en over de Realisatie van het Nationaal Monument.

Veelgestelde Vragen: Mensenrechten en Anti-Racisme

Antwoorden op veelgestelde vragen over institutioneel racisme, anti-discriminatiewetgeving en de rol van het Landelijk Platform Slavernijverleden.

  • Institutioneel racisme verwijst naar patronen van ongelijkheid die zijn ingebed in de structuren, procedures en culturen van organisaties en instellingen — ongeacht de individuele intenties van de medewerkers. Het gaat om systemische factoren die leiden tot structureel slechtere uitkomsten voor mensen van bepaalde etnische achtergronden. In Nederland heeft onderzoek van het SCP, het Verwey-Jonker Instituut en de Universiteit van Amsterdam aangetoond dat institutioneel racisme aantoonbaar aanwezig is in de woningmarkt, de arbeidsmarkt, het onderwijs en het strafrecht.

  • De Nederlandse Trans-Atlantische en Indische Oceaan slavenhandel en slavernij hebben raciale hiërarchieën gecreëerd die zijn doorgesijpeld in wetgeving, economische structuren, culturele representaties en collectieve attitudes. De rijkdom die door slavernij werd gegenereerd heeft eeuwenlange vermogensongelijkheid vastgelegd. Historici als Pepijn Brandon en Guno Jones hebben aangetoond dat de economische voordelen van slavernij disproportioneel zijn toegevloeid aan de Nederlandse meerderheidsgroep, terwijl de nazaten van tot slaaf gemaakte mensen zijn begonnen vanuit een structurele achterstand die tot op heden doorwerkt.

  • De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB), in werking getreden in 1994, verbiedt in Nederland discriminatie op grond van onder meer ras, nationaliteit en etnische herkomst in de sferen van arbeid, vrije beroepsuitoefening, goederen en diensten, en maatschappelijke organisaties. De wet is de uitwerking van het gelijkheidsprincipe uit artikel 1 van de Grondwet. Het College voor de Rechten van de Mens is belast met het toezicht op de naleving van de AWGB en behandelt klachten van individuen en organisaties. De oordelen zijn niet juridisch bindend maar hebben gezag bij rechters.

  • Het College voor de Rechten van de Mens, opgericht in 2012, is het nationale mensenrechteninstituut van Nederland. Het onderzoekt klachten over discriminatie, geeft oordelen over mogelijke overtredingen van gelijkebehandelingswetgeving, doet aanbevelingen aan organisaties en de overheid, en rapporteert over de mensenrechtensituatie aan internationale organen zoals de VN en de Raad van Europa. Hoewel de oordelen van het College niet juridisch bindend zijn, worden zij door rechters meegewogen en door organisaties serieus genomen vanwege de reputatieschade die een negatief oordeel met zich meebrengt.

  • Het VN-Comité voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie (CERD) is het verdragsorgaan dat toeziet op de naleving van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, dat Nederland in 1971 ratificeerde. CERD heeft meerdere keren gewezen op tekortkomingen: onvoldoende aanpak van institutioneel racisme, inadequate statistieken over raciale ongelijkheid, de Zwarte Piet-kwestie, en de positie van mensen van Afrikaanse afkomst in het strafrechtsysteem. Het Landelijk Platform Slavernijverleden heeft herhaaldelijk schaduwrapporten bij CERD ingediend.

  • Ruimtelijke segregatie betekenis: de geografische scheiding van bevolkingsgroepen in woonwijken, scholen en andere sociale ruimten op basis van etnische, raciale of sociaaleconomische kenmerken. In Nederland vallen achterstandswijken statistisch samen met hoge percentages bewoners van Surinaamse, Antilliaanse en Noord-Afrikaanse afkomst. Dit is een structureel gevolg van ongelijkheid in woningmarktposities, inkomen en vermogen — ongelijkheden die wortelen in de historische uitsluiting tijdens en na het koloniale tijdperk. Segregatie versterkt zich generationeel via beperkte onderwijskansen en professionele netwerken.

  • Onderzoek van het SCP laat zien dat Surinaamse Nederlanders consistent hogere niveaus van ervaren discriminatie rapporteren dan de autochtone bevolking, met name op de arbeidsmarkt en in de woningmarkt. Correspondentieonderzoeken tonen aan dat sollicitanten met een Surinaamse naam bij gelijke kwalificaties minder kans maken op uitnodiging. Surinaamse Nederlanders zijn bovendien oververtegenwoordigd in sociale huurwoningen en ondervertegenwoordigd in leidinggevende functies. Het Platform documenteert deze patronen als directe erfenis van de koloniale en slavernijgeschiedenis en als argument voor structurele herstelmaatregelen.

  • Het white savior complex betekenis: een patroon waarbij mensen uit de witte meerderheidsgroep zichzelf positioneren als redders van gemarginaliseerde gemeenschappen, zonder oog voor de agency en het leiderschap van die gemeenschappen zelf. In Nederland uit dit zich onder meer in de neiging om gesprekken over slavernijverleden te laten leiden door witte academici of politici terwijl de stem van nazaten gehoord maar zelden beslissend is. Het Landelijk Platform Slavernijverleden benadrukt dat authentieke allianties worden gebouwd op basis van gelijkwaardigheid, waarbij de ervaringskennis van nazaten centraal staat, niet als toevoeging maar als fundament.

  • Anti discriminatie bureau Amsterdam: het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA) en Bureau Discriminatiezaken Amsterdam (BDA) zijn de centrale aanspreekpunten voor de regio Amsterdam. Landelijk zijn er meer dan dertig regionale anti-discriminatiebureaus (ADBs) die samen het netwerk Discriminatie.nl vormen. Zij bieden gratis begeleiding aan slachtoffers, registreren patronen en adviseren gemeenten over preventiebeleid. Meldingen kunnen ook digitaal worden ingediend via discriminatie.nl. Het Platform pleit voor structureel hogere financiering van de ADBs om aan de daadwerkelijke vraag te kunnen voldoen.

  • Vanaf 2022 is het slavernijverleden verankerd in de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs — een mijlpaal waarvoor het Platform meer dan twee decennia heeft gelobbyd. De implementatie verschilt sterk per school en regio. In de praktijk krijgt de slavernijgeschiedenis in veel klassen slechts beperkte aandacht en wordt de relatie met hedendaagse ongelijkheid zelden expliciet gelegd. Het Platform pleit voor structurele teacher-training, aanpassing van geschiedenismethodes en representatieve onderwijsmaterialen die de ervaringen van nazaten centraal stellen.

  • Het Landelijk Platform Slavernijverleden heeft in verklaringen aan de Tweede Kamer en internationale organen concrete beleidseisen geformuleerd: verplichte registratie van discriminatie-incidenten door werkgevers met meer dan 50 medewerkers; onafhankelijk onderzoek naar institutioneel racisme in politie, openbaar ministerie en rechterlijke macht; structurele financiering van anti-discriminatiebureaus; verplichte opname van slavernijgeschiedenis in alle eindtermen; en een nationaal actieplan aansluitend op de aanbevelingen van VN-CERD en het VN-Decennium voor Mensen van Afrikaanse Afkomst.

  • De Nederlandse overheid erkende in 2020 voor het eerst officieel dat institutioneel racisme een probleem is bij de overheid zelf, na het rapport van de adviescommissie onder leiding van Tofik Dibi. Sindsdien zijn er actieprogramma's gestart: diversiteitsbeleid bij de rijksoverheid, een meldlijn voor discriminatie door overheidsdiensten en een verkenning van raciale profilering. Het Platform beschouwt deze stappen als een begin maar onvoldoende: er ontbreekt een bindend nationaal actieplan met meetbare doelstellingen, onafhankelijk toezicht en adequate financiering voor uitvoering.

  • Uit de EU-MIDIS II-survey van het Europees Bureau voor Grondrechten (FRA, 2017) blijkt dat mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland relatief hoge niveaus van ervaren discriminatie rapporteren, vergelijkbaar met Finland, Ierland en Luxemburg. Het Platform wijst op de discrepantie tussen het zelfbeeld van Nederland als tolerant land en de feitelijke ervaringen van minderheden. De FRA-data laten bovendien zien dat Nederland relatief weinig discriminatiezaken strafrechtelijk vervolgt in vergelijking met andere EU-lidstaten, wat het systeem effectief ontdoet van afschrikkende werking.

  • Arbeidsmarktdiscriminatie treft in Nederland aantoonbaar mensen van Afrikaanse en Caribische afkomst zwaarder dan de autochtone bevolking. Nazaten van tot slaaf gemaakte mensen zijn gemiddeld begonnen met minder familievermogen, minder professioneel netwerk en in onderwijssystemen die hun geschiedenis lange tijd nauwelijks erkenden. Structurele uitsluiting reproduceert zich generationeel. Correspondentieonderzoeken van de VU Amsterdam bevestigen dat voor identieke sollicitaties mensen met een Surinaamse naam minder uitnodigingen ontvangen. Het Platform pleit voor aanvullende arbeidsmarkteisen als onderdeel van een bredere herstelrechtsstrategie. Zie ook het dossier over Reparatory Justice.

  • Discriminatie kan in Nederland op meerdere manieren worden gemeld. Het regionale anti-discriminatiebureau (ADB) in uw gemeente biedt gratis ondersteuning en registratie. Via discriminatie.nl kunt u online een melding doen bij het dichtstbijzijnde bureau. Ernstige gevallen kunnen ook worden gemeld bij de politie. Bij arbeidsrechtelijke discriminatie kunt u een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens. Het Landelijk Platform Slavernijverleden ondersteunt het gebruik van al deze kanalen en pleit voor betere bekendheid ervan, met name onder Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse gemeenschappen in Nederland.

  • Daggoe (ook gespeld als 'dagoe') is een scheldwoord voor mensen van Hindostaanse of Indiase afkomst, met name in de Surinaamse context. De term werd gebruikt als denigrerende aanduiding voor Aziatische contractarbeiders die na de afschaffing van de slavernij in 1863 naar Suriname werden gehaald als goedkope vervangers op de plantages. Het woord is een voorbeeld van racistisch taalgebruik dat zijn oorsprong vindt in het koloniale en post-slavernij arbeidsbestel van Suriname. Het gebruik van dergelijk taalgebruik wordt door het Platform nadrukkelijk als onderdeel van de erfenis van het slavernijverleden benoemd, en als reden temeer voor brede bewustzijnsvorming.